Engelwortel

De gewone engelwortel (Angelica sylvestris) behoort tot de grote familie van schermbloemigen (Umbelliferae). Hij kan uitgroeien tot een hoogte van wel twee en een halve meter, waardoor je hem niet snel over het hoofd kunt zien. Deze plantensoort komt voor in vrijwel geheel Europa en houdt van een vochtige tot zelfs drassige ondergrond. Tegenwoordig is de gewone engelwortel een plant van ruigtes, bermen en slootkanten.

Tot het begin van de 20ste eeuw werd de gewone engelwortel zelfs gebruikt als een groente. Doordat het grote hoeveelheden vitamine C bevat, was het een probaat middel om de gevreesde scheurbuik te voorkomen. De stengel werd vers gegeten en de bladeren werden ingekookt tot een pasta en deze kon enige tijd bewaard worden. Door die pasta later met melk te koken ontstond een smakelijke maaltijd. Door de hoge voedingswaarde kon de gewone engelwortel de tijden van schaarste het verschil maken tussen de hongerdood en overleven. Bladeren en stengel zijn ook een aromatisch toekruid in visgerechten. De jonge en fijngehakte bladeren worden gebruikt als smaakmaker in salades, sauzen en soepen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Angelica, stamt af van het Middeleeuwse gebruik om de gewone mens met Latijnse termen te overdonderen: herba angelica betekende natuurlijk gewoon 'engelkruid'. Het herbergde zoveel helende krachten in zich dat men dacht dat de plant wel door engelen op aarde moest zijn gebracht. Het tweede deel, sylvestris, is ook al van Latijnse herkomst, want silva betekent 'woud'.

Het mag dan ook geen wonder zijn dat aan de gewone engelwortel eeuwenlang bijna magische krachten werden toebedeeld. Door de vitamine C heeft het ontstekingsremmende eigenschappen en men geloofde altijd al dat het kon helpen tegen verkoudheden, hoesten, chronische bronchitis, hoofdpijn, bacteriële infecties, en meer. Volgens oude kruidenboeken bevordert de gewone engelwortel de spijsvertering en helpt het daardoor ook de ongemakkelijke gevoelens in de darmen na iets te overdadig tafelen. Het verse blad, maar vooral de wortel werd in de volksgeneeskunst veel gebruikt als 'windverdrijvend' middel, als water- en urine-afdrijfmiddel, bij lichamelijke zwakte, bij ongesteldheid en ter behandeling van reumatische pijnen.

Met zoveel goede eigenschappen is het geen wonder dat dit kruid in Friese Beerenburg is gestopt. Overigens stopt Boomsma Distilleerderij uit Leeuwarden een extract van gewone engelwortel ook in hun Stirling London Dry Gin. Geen wonder dus dat de Friezen bijna nooit verkouden zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen